De schilder Huineman

Zeeuws-Vlaamse schilder


Het Zwin tussen Knokke en Cadzand met zicht op Walcheren, 1936



Crayon, Kerkportaal met nonnetjes




Crayon, Preekstoel



Straatje in Vlaanderen

Kerk in West-Vlaanderen


Werk op het veld


Vrouwenkopje



Deel Zeveluik: De dood speelt viool



Deel Zeveluik: Golgotha



Deel Zeveluik: Fabrieken


Deel Zeveluik: De val


Deel Zeveluik


Deel Zeveluik: De hel

Zicht op de Westerschelde

K.J. Huineman, deurwaarder te Terneuzen, schilderde in de eerste helft van de 20e eeuw.


In het Zeeuws Tijdschrift schreef Paul van der Velde een artikel over De Kunstkring het Zuiden, waartoe Huineman gerekend wordt:

"..Een zelfde plaatsgebondenheid kenmerkt de werken van K.J. Huineman (1886-1952) die van beroep deurwaarder in Terneuzen was. Al op jonge leeftijd had hij het penseel ter hand genomen. Zijn werk verraad duidelijk de invloed van de negentiende eeuwse romantische schilders J. Travenraat en W.J. Nuyens. Na lessen gevolgd te hebben bij Toorop, die hij te autoritair vond om met vrucht iets van te leren, nam hij lange tijd les bij Jacobs (gerard Jacobs, Antwerpen 1865-1957). De invloed van Jacobs in kleurgebruik en thema's is duidelijk in het werk van Huineman aan te wijzen. Huineman was evenwel zo getalenteerd dat hij een eigen stijl van Scheldeluminisme ontwikkelde. Zo'n getalenteerde leerling van Jacobs was ook de Antwerpenaar D. Schonberg (1895-1942) die door C. Veth, de Nederlandse kunstcriticus naar aanleiding van een expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1928 van Zeeuwse schilders, meer een peintre de race werd genoemd dan Jacobs, die hij bedachtzamer en dieper noemde. In een recensie van een jaar daarvoor had Veth het bestaan van een Zeeuwse school nog ontkend, maar in zijn recensie, de Dampkring inspirerend, naar aanleiding van de tentoonstelling in Amsterdam kwam hij daarop terug. "Ik meen hier de Zeeuwse atmosfeer te herkennen, de nevelen, maar ook de door bijna niets onderbroken zonnigheid van al dit vlakke land, de weidsche duinpartijen, die bijna overdrijving van de Hollandsche schijnen." Naast... Peiser zou ik Jacobs, Bergsma, Schonberg, Hendrickx en Huineman tot de Scheldeluministen willen rekenen. Daartoe behoorde aanvankelijk ook R. Kimpe (1885-1970), die zich echter op het eind van de twintiger jaren tot het expressionisme van de Lathemse school bekeerde. Het waren, met uitzondering van Huineman, beroepsschilders, die een luministische manier van werken en een eigen visie op de schilderkunst deelden. Om deze harde kern heen bewogen zich een honderdtal leerlingen van Jacobs, de zogenaamde Jacobsjes, amateur-schilders die werkten in de trant van Jacobs en soms verdienstelijk werk maakten, zoals bijvoorbeeld L. van der Steen. Samen vormden ze de Scheldeluministische school, die zich onderscheidde van schilders in Veere, Scheveningen of Katwijk, die geen gemeenschappelijke stijl van werken hadden. Langs de oevers van de Schelde, volgens de Belgische dichter E. Verhaeren "le plus aimé des fleuves", strekte zich het Scheldeluminisme van Antwerpen over Terneuzen nar Vlissingen uit."

Paul van de Velde, A Palace of art in being, De Kunstkring het Zuiden, een impressie. Zeeuws Tijdschrift, 2000.

 

poster